Factories

Het Factory-project stoelt op een sterke, gedeelde belangstelling voor industrie. Al in de tachtiger jaren verbleef Reinout een aantal maanden in Beringen, waar hij tussen de, voornamelijk, allochtone mijnwerkers leefde en hun levens- en werkomstandigheden fotografeerde. Rond 1997 was ik aan het werk met architectuurmodellen die waren geïnspireerd op de enorme fabrieksgebouwen die ik kende uit mijn jeugd. Grote, hermetische kolossen die mijn fantasie prikkelden maar die niets onthulden over wat er zich achter hun gevels afspeelde. In datzelfde jaar maakte Reinout plannen voor een nieuwe studio. We besloten samen aan de slag te gaan. R. vertelde wat hij wilde en ik tekende het ontwerp. De studio  werd in 2000 gerealiseerd. Tijdens dat proces van praten en denken ontstond het idee voor het fotoproject. Een onderzoek naar de restanten van de oude industriearchitectuur ui t de eerste eeuw van de Industriële Revolutie.  Eerst wilden we Europa verkennen, en in een later stadium de Verenigde Staten. Op dat punt zijn we nu aangeland.

We begonnen het architectuurproject vanuit onze nieuwsgierigheid naar het gebruik van architecturale archetypes in de eerste generatie fabrieksontwerpen. Niet de basisvormen die tevoorschijn komen uit vergelijking van gelijksoortige architectuur, zoals Bernd en Hilla Becher dat jarenlang op een sublieme manier hebben gedaan, maar de toepassing van typologieën uit het pre-industriële tijdperk. We waren al schuren tegengekomen die er uitzagen als basilica’s, silo’s als omgekeerde kathedralen en graanmaalderijen als Moorse paleizen.  De bouwwerken die we vonden, lagen meestal ingekapseld in wat verloederde buurten, opgeslokt door de uitdijende steden. Die omgeving begon alsmaar belangrijker te worden. Daarom verschoof in de jaren daarna de aandacht naar de situering  en de geschiedenis van de bouwwerken. Op de foto’s werden de gevolgen van de industrialisatie voor de ruimtelijke, stedelijke en sociale ontwikkeling zichtbaar.

Met die verschuiving van optiek werden de bouwwerken zelf onderdeel van een  complex geheel waarin ze als scharnierpunt  ten opzichte van hun omgeving staan. Stedelijke landschappen werden in een klassieke ordening met onmiskenbare verwijzingen naar renaissancistische schilderijen vastgelegd. De composities voerden de aandachtige kijker binnen in een wereld van vanzelfsprekende en verbazingwekkende, logische en onlogische, harmonieuze en vloekende overgangen en confrontaties. Het dramatisch moment werd niet zozeer bepaald door de ongenaakbare schoonheid van de architectuur, maar zat meer verborgen meer in details: achtergelaten rommel, de naam van een boot, een eenzame caravan, een krant die uit een brievenbus steekt.

 

Maar het vasthouden aan verworven standpunten is dodelijk voor de ontwikkeling van inzichten.  Je verliest makkelijk je scherpte en je interesse in een project waarvan het kader te strak geformuleerd is, waarin geen ruimte is voor onverwachte invalshoeken. Het zijn juist de nieuwe inzichten die ons project op gang houden. Onvoorziene wendingen die we evenzeer koesteren als de meest geslaagde foto’s.  Wat kunnen we zeggen over de foto’s die we nog niet gemaakt hebben? Waar zullen ze over gaan, wat zullen ze onthullen en verbergen? Welk licht zullen ze werpen op de rol die de industrialisatie gespeeld heeft, en nog speelt, in het leven van alledag?

We hebben de politiek zien veranderen ten aanzien van de industriële erfenis. Er wordt zorgvuldiger omgegaan met de overblijfselen. Het ontmantelen van de industrie na 1989 in de voormalige Oostbloklanden heeft die politiek opnieuw geactualiseerd. Niet elk gebouw wordt meer gesloopt, maar ook niet alle resterende gebouwen worden, zoals in het laatste decennium van de vorige eeuw gebruikelijk was, omgebouwd door moderne architecten tot nieuwe bedrijfsgebouwen, musea  en appartementen. Er is een trend om de grote, in onbruik geraakte fabrieksgebouwen in stukjes te verhuren aan kleine bedrijfjes die enkel de meest noodzakelijke aanpassingen plegen om te kunnen functioneren. Welke invloed de huidige kredietcrisis zal hebben op het beleid, moet nog blijken. Die nieuwe ontwikkelingen zorgen voor een constant veranderende bedding waarin ons project zich kan voortbewegen.

In de beelden van de laatste jaren,  2006-2008, beginnen mensen op te treden. Individuen die zich in, en ten opzichte van die wereld bewegen. Het zijn geen toevallige figuranten: het zijn de protagonisten die betekenis verlenen aan de omgeving.
Zo zijn in tien jaar tijd de foto’s veranderd van beelden waarin de kracht, schoonheid en afschrikwekkendheid van de industrie werd verbeeld, in sociale schilderijen waarin de mens acteert tegen het imposante decor van industriële rudimenten, en waarin die omgeving zijn vanzelfsprekende en vertrouwde habitat is geworden.